Ridderlijk gedrag
Ridderlijk gedrag verwijst naar de ridders in de middeleeuwen tot aan de barok periode. De ridders beschermden de zwakken, verdreven de slechten en verdedigden bepaalde waarden (bijv. het christelijke geloof). Zij deden dit meestal te paard. Deze diensten werden in die tijd als edel beschouwd, waarbij het woord edel is afgeleid van het woord adel omdat de meeste ridders uit gegoede gezinnen kwamen (families van adel). Een goed strijdros kostte in die tijd namelijk een fortuin en was dus alleen voor de rijke mensen in de maatschappij weggelegd.
Sindsdien spreekt men over het paard als over een edel dier, waarbij men vooral de dienstvaardigheid van het paard voor de mens bedoelt. Deze bedenking moet ons er ook aan herinneren dat wij, als gebruikers van het paard, ons ridderlijk tegenover het paard moeten gedragen.
Beschermen en regels opleggen vinden we ook terug in de paardenmaatschappij. Wanneer paarden onderling hun conflicten ‘uitgepraat’ hebben, zelfs al is het tot de verdediging of tot een gevecht gekomen, zal de overwinnaar nooit overgaan tot achtervolgen, verder verwonden of afmaken van de belager. Het zijn de overgave- en onderschikkingssignalen van de verliezer die een automatische agressierem bij de overwinnaar in werking stellen.

Wanneer we vreemde paarden bij elkaar plaatsen, moeten we ervoor zorgen dat er voldoende ruimte aanwezig is zodat het overwonnen dier kan vluchten om aldus de dominantie van zijn tegenstander te erkennen. Als deze dominantie strijd zich noodgedwongen zou afspelen in een te kleine ruimte, dan is het voor het overwonnen paard onmogelijk om door te vluchten de dominantie van de ander te erkennen. Hierdoor zal het dominante paard geen ridderlijk gedrag kunnen vertonen, met andere woorden het zal verder op zijn reeds overwonnen tegenstander inhameren met zware verwondingen of erger tot gevolg.

Vul hieronder je naam en e-mail adres in
